pictures/kdn-watervlo-ico.png

 
watervlo door microscoop
watervlo door microscoop

De watervlo

Vergroten

De watervlo is zo groot als een speldeknop.
Je kan dus bijna niets zien van een watervlo.
Daarom gebruik je in deze les een microscoop.
Hiernaast is de eerste en de tweede lens getekend.
Hoeveel keer ze vergroten staat op de zijkant van de lens.
In de tekening hiernaast vergroot de eerste lens (1) ______ keer.
De tweede lens vergroot (2) ______ keer.
De totale vergroting reken je uit met vermenigvuldigen.
De mikroskoop hiernaast vergroot dus (3) ____ x (4) ______ = (5) ______ keer.
watervlo prepareren
watervlo prepareren

PROEF: DE WATERVLO

Nodig: 1 bak met watervlooien
mikroskoop-spullen
1 schepje + penseel
Vang met het schepje een levende watervlo uit de bak.
Breng hem met de penseel voorzichtig op het glasplaatje.
Hiernaast zie je hoe dat gaat.

Zorg ervoor dat de watervlo steeds in 1 druppel water blijft.
Bij teveel water op het glaasje kan de watervlo springen.
Je kan hem dan niet goed door de mikroskoop bekijken.
Teveel water zuig je weg met een papiertje of een droge penseel.
Bij te weinig water kan de watervlo (6) _____________.
Bij te weinig water doe je er met de penseel 1 druppel water erbij.
Stel de eerste lens in op 5 x vergroten.
Stel de tweede lens in op 10 x vergroten.
Bekijk de watervlo bij deze (7) ______x vergroting.

Vergelijk de watervlo met de tekening hieronder.
Zoek alle onderdelen op waar pijlen bij staan.
onderdelen van een watervlo

De watervlo is (8) wel / niet doorzichtig.
De grote sprongen maakt hij met zijn (9) ____________.
Door die sprongen lijkt hij op een vlo.
Met de (10) _______________ wordt voedsel naar de mond geharkt.
Het hart van de watervlo klopt (11) snel / langzaam.
De watervlo broedt haar eieren uit in een (12) ________________.
Het spijsverteringsstelsel is het kanaal tussen mond en anus.
Het spijsverteringsstelsel is groen gekleurd.
voedselketen met watervlo
voedselketen met watervlo

Voedselketen

In de voedselketen hiernaast zie je aan de pijlen wie wat eet.
Watervlooien eten dus (13) _______.
De watervlo wordt zelf gegeten door de (14) _________.
De brasem wordt gegeten door de (15) _______.

Verstoord evenwicht

Normaal komen er evenveel dieren bij als er doodgaan.
Zo'n voedselketen noemen we "in evenwicht".
Soms raakt zo'n evenwicht verstoord.
bijvoorbeeld doordat er teveel mest in het water komt.
Dan gaan de algen plotseling hard groeien.
De sloot wordt dan één grote groene soep.
Daardoor kan de snoek de brasem niet meer vinden.
Van de brasem komen er dus (16) te veel / te weinig.
De brasem kan nog wel watervlooien vangen.
Van de watervlo komen er dus (17) te veel / te weinig.
Dus wordt de alg (18) meer / minder opgegeten.
Dan leven in zo'n sloot dus alleen nog (19) alg en brasem / .

Evenwicht herstellen

Biologen kunnen het evenwicht in de soep soms herstellen.
Dit gaat het best door bijna alle brasem weg te vangen.
Als je dat doet zullen er weer meer (20) __________________ komen.
En daardoor zullen de algen weer opgegeten worden.
Meren met weinig brasem worden weer snel helder.
Welke vis zal dan ook weer terugkomen? (21) ____________.

Vragen

1.
Beschrijf hoe de watervlo voedsel zoekt en verteert.
Gebruik daarbij de volgende woorden: Anus, mond, darmen, zeefpoten.
(22) ________________________________________.
2.
Hoe kan je het evenwicht in de sloot herstellen? (23) __________________________________________.
3.
Kan je het evenwicht herstellen met extra snoek? (24) ________________________________________.
4.
Hoe komt de watervlo aan zijn naam? (25) ________________________________________.

Extra stof

5.
6.
cyclops
Cyclops
Hiernaast zie je nog een soort watervlo, de eenoogkreeft of in het latijns: cyclops.
De cyclops heeft (26) 1 / 2 / 3 / 4 ogen.
De cyclops bewaren hun eieren (27) _______________________________________.
7.
Ze zeggen wel eens dat je niet moet proberen de gevolgen
van een probleem op te lossen, maar juist de oorzaak weg moet nemen.
De oorzaak van het probleem van de "groene soep" in onze sloten
is (28) ________________________________________.
Hoe kun je dit probleem dus het beste oplossen? (29) ________________________________________.