pictures/kdn-tillen-ico.png

 
draaiende molen
draaiende molen

Tillen

PROEF: DRAAIKRACHT

Nodig: 1 gewicht

Voor deze proef moet je goed bedenken wat een draaipunt is.
Hier zie je een draaiende molen.
Het draaipunt is (1) A / B / C.
gewicht tillen
gewicht tillen
Neem het gewicht in één hand.
Ga ermee staan op een plek waar je de ruimte hebt.
Houd de arm langs je lichaam naar beneden.
Draai met gestrekte arm het gewicht langzaam naar voren.
Je arm draait dan op plek (2) A / B / C.
Hoeveel keer achter elkaar kun jij zó draaien? (3) ____.
Waar voel je nu je spieren? In je (4) schouder / bovenarm / onderarm.
Bij een zwaarder gewicht moet je (5) harder / zachter tillen.
Als het gewicht zwaarder is, wordt de draaikracht groter.
Ga nu dezelfde draai maken vanuit je elleboog.
Het draaipunt is nu plek (6) A / B / C.
Hoeveel keer achter elkaar kan je zó draaien? (7) ________________________________________.
Waar voel je nu je spieren? In je (8) schouder / bovenarm / onderarm.
Met het gewicht dichterbij gaat de draai (9) zwaarder / lichter.
Als de afstand groter is, wordt de draaikracht groter.
De draaikracht hangt van 2 dingen af (10) ___________________________.
goed en fout tillen
goed en fout tillen

Goed tillen

Van deze proef heb je iets geleerd over tillen.
Om makkelijk te tillen moet je zorgen dat de afstand klein is.
Dus moet je dicht tegen je lichaam aan dragen.
Je tilt dan vanzelf met je sterkste spieren: je beenspieren.
Goed tillen doe je vooral met de benen.
Fout til je als je je rug teveel gebruikt.

Schrijf op wie van de mensen hiernaast goed en wie fout tilt.

A tilt (11) goed / fout want (12) __________________________________.


B tilt (13) goed / fout want (14) _______________________________.


C tilt (15) goed / fout want (16) ____________________________________.


D tilt (17) goed / fout want (18) _______________________________________.


E tilt (19) goed / fout want (20) ___________________________.


F tilt (21) goed / fout want (22) ___________________________.
goede en foute houding
goede en foute houding

Houding

Spieren gebruik je niet alleen om te bewegen.
Ook als je zit gebruik je spieren.
Als je krom zit, gebruik je je spieren niet goed.
We noemen dat een slechte houding.
Je kan dan last van spierpijn krijgen.
Een goede houding heb je als je rug (23) _______ is.
En je benen moeten (24) wel / niet allebei op de grond staan.
bovenarmspieren
bovenarmspieren

PROEF: VOOR ELKE BEWEGING EEN APARTE SPIER


In de tekening zie je de spieren van de bovenarm getekend.
Als je je hand optilt gebruik je de (25) buigspier / strekspier.
Kleur de spier die je bij optillen gebruikt rood.
Als je de strekspier spant, wordt de arm (26) gebogen / gestrekt.
Vandaar de naam: strek-spier.
Voer nu de proeven hieronder uit.
Voer steeds eerst de opgegeven beweging uit.
Kleur dan de spier die je daarbij het meest voelt rood.
Beantwoord dan hoe die spier heet.
bovenarm30
Breng je hand naar je borst toe.
Doe dit 30 keer achter elkaar.
tekening
(27) Buigspier van de bovenarm / Strekspier van de bovenarm / Onderarmspier / Bovenbeenspier
bovenarm2
Duw je op tussen twee tafels (of druk je op op de grond).
Doe dit twee keer achter elkaar.
tekening
(28) Buigspier van de bovenarm / Strekspier van de bovenarm / Onderarmspier / Bovenbeenspier
bovenbeen
Zak door je knieën en ga weer rechtop staan.
Doe dit 10 keer achter elkaar.
tekening
(29) Buigspier van de bovenarm / Strekspier van de bovenarm / Onderarmspier / Bovenbeenspier
vuist
Knijp je handen krachtig tot een vuist.
Doe dit 20 keer achter elkaar.
tekening
(30) Buigspier van de bovenarm / Strekspier van de bovenarm / Onderarmspier / Bovenbeenspier

Vragen

1.
aandraaien
Wat is hiernaast het draaipunt? (31) A / B / C.
Wat levert de kracht? (32) _________________________.
Eronder staat iemand met een langere sleutel te draaien.
De afstand is met een langere sleutel (33) kleiner / groter.
De langere sleutel draait (34) makkelijker / moeilijker.
2.
Om makkelijk te tillen moet de afstand (35) groot / klein zijn.
3.
Bij optillen moet je vooral je (36) rug / armen / benen gebruiken.

Extra stof

4.




draaikracht
Bij draaien geldt: DRAAIKRACHT = ZWAARTE x AFSTAND. Reken met die regel de krachten in de eerste proef uit:

MET GESTREKTE ARM:

Gewicht = 2 kilo
Afstand = 1 meter
Draaikracht = (37) ____ kilo x (38) ____ meter = (39) ____.

MET GEBOGEN ARM:

Gewicht = 2 kilo
Afstand = 1/2 meter
Draaikracht = (40) ______ x (41) ______ meter = (42) ____.

Welke draaikracht was groter? Die met de (43) gestrekte / gebogen arm.
Hoe kon jij dat in de proef aan de begin van de les al merken?
(44) ________________________________________.