pictures/kdn-schelpen-ico.png



Schelpen

Tabel

Er bestaan veel verschillende soorten schelpen en slakken.
Het zijn weekdieren: van binnen zijn ze heel zacht.
Maar aan de buitenkant hebben ze een hard pantser van kalk.
Als het diertje binnenin doodgaat, blijft het "huisje" over.
Je kunt aan die huisjes nog zien wat voor soort het is geweest.
Daarvoor moet je ze op naam brengen met een tabel.
Hieronder zie je een stukje van zo'n tabel.
tabel
emeen lineaaltje hor

wulk vinden

wulk
Om achter de naam te komen begin je bij vraag 1.
Oefen met wat hiernaast op het strand gevonden is.
Bij vraag 1 kan je kiezen tussen plat óf met gedraaide buis.
De schelp hiernaast is (1) plat / met gedraaide buis.
Dus ga je in de tabel door naar vraag (2) ____.
De slak hiernaast komt uit de zee, dus uit (3) zoet / zout water.
We hebben dus een (4) landslak / zeeslak / zeeschelp gevonden.
slak

schelp

Waar moet je op letten?

Voor de tabel hieronder moet je de woorden hiernaast kennen.
De slak hiernaast heeft (5) 2 / 3 / 6 windingen in zijn slakkehuis.
De slak hiernaast heeft een (6) spitse / stompe top.
De schelp hiernaast heeft een (7) gladde / gezaagde rand.

PROEF: SCHELPEN EN SLAKKEN OP NAAM BRENGEN

Nodig: Verschillende schelpen en slakken
Vraag je leerkracht om schelpen of slakken.
Zoek de schelpen of slakken op in de tabel hieronder.
Vraag je leerkracht of je op de goede naam bent gekomen.

1. Ziet eruit als schelp: plat, geen gedraaide buis. . . . . . . . .
ga naar 2

óf: Ziet eruit als slak: gedraaide buis . . . . . . . . . . . . . . . . .
ga naar 16

2. Leeft in zoet water . . . . . . . . .
ga naar 3

óf: Leeft in zout water . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
ga naar 5

3. Schelp groter dan 2 cm . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
ga naar 4

óf: Schelp kleiner dan 2 cm . . . . . . . . . .
ERWT-MOSSELS of BOL-MOSSELS

4. Schelp heel dun, bruin en glad . . . . . . . . . . . . .
dit is de VIJVER-MOSSEL

óf: Schelp dik, met (jaar)ringen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
de SCHILDERS-MOSSEL
oester
oester

schaalhoren
schaalhoren

mossel
mossel

5. Groot, dik en plat. Met schilfers . . . . . . . . . . .
dit is de OESTER

óf: Blauw/zwart van buiten en glimmend wit van binnen . . . . . . . . .
MOSSEL

óf: Schelp lijkt op een hoedje . . . . . . . . .
de SCHAALHOREN

óf: Anders dan de drie hierboven . . . . . . . . .
ga naar 6

6. Duidelijke ribben . . . . . .
ga naar 7
óf: Vrij gladde buitenkant . . . . .
ga naar 10

7. Aan één kant grotere ribben dan aan de andere kant . .
ga naar 8
óf: Ribben overal ongeveer hetzelfde . .
ga naar 9

8. Meer dan 2x zo breed als lang . . . . .
AMERIKAANSE BOORMOSSEL
óf: Minder dan 2x zo breed als lang . . . . .
RUWE BOORMOSSEL
horizontale ribben

verticale ribben

9. Ribben lopen verticaal . . . . . .
dit is de KOKKEL
óf: Ribben lopen horizontaal . . .
dit is de VENUS-SCHELP

10. Schelp langer dan 10 cm . . . .
ga naar 11
óf: Korter dan 10 cm . . . . .
ga naar 12

11. Schelp lijkt op een zwaard (wel 10x zo lang als breed) . . . . .
ZWAARDSCHEDE
óf: Schelp groot, maar niet zo smal . . . . . . . . . .
STRANDGAPER

12. Rand gekarteld (voelt als een zaagje) . . . . . . . . .
dit is het ZAAGJE

óf: Rand van de schelp voelt glad . . . . . . . . . . . . . . .
ga naar 13

13. Met witte, gele, of rose kleuren . . . . . . . .
PLATSCHELP (NONNETJE)
óf: Anders van kleur . . . . . . . . . . .
ga naar 14

14. Verticale gekleurde strepen . . . . . . .
GROTE STRANDSCHELP
óf: Alleen horizontale strepen of geen kleuren . . . . .
ga naar 15

15. Schelp plat en dun . . . . . . . .
PLATTE SLIJKSCHELP
óf: Schelp klein en stevig . . . . . . . .
STEVIGE STRANSCHELP

16. Leeft in zoet water . . . . .
ga naar 17
óf: Leeft in zout water . . . . . . . .
ga naar 19

17. Slak plat opgerold (als veterdrop). .
ga naar 18
óf: Slak met spitese top met minstens 5 draaiingen . .
POELSLAK
óf: Vergelijk de plaatjes hieronder om de juiste naam te vinden:

slakjes

18. Slak groter dan 2 cm . . . . .
POSTHOORNSLAK
óf: Slak kleiner dan 2 cm . . . . .
SCHIJFHOORNSLAKKEN

19. Slak meer dan 4 cm lang . . . .
dit is de WULK
óf: Korter dan 4 cm . . .
ga naar 20

20. Meer dan 2 keer zo lang als breed . . .
ga naar 21
óf: Minder dan 2 keer zo lang als breed . .
ga naar 22
wenteltrapje heeft verticale ribbels

21. Dikke verticale ribbeld . . . . .
WENTELTRAPJE
óf: Geeen hoge, verticale ribbels . . .
FUIKHOREN
slak met navel

22. Slak heeft een duidelijke "navel" . . .
de TEPELHOORN
óf: Geen diepe navel . . .
ga naar 23

23. Spitse top . . .
dit is de ALIKRUIK
óf: Stompe top . . . . .
de STOMPE ALIKRUIK

In levende lijve

Hieronder zie je waar schelpen zitten als ze nog leven.
levende schelpen

De strandgaper leeft (8) onder het zand / in hout / op rotsen.
De schaalhoorn leeft (9) onder het zand / in hout / op rotsen.
De boormossel leeft (10) onder het zand / in hout / op rotsen.

Vragen

1.
Schelpen en slakken behoren tot de (11) _______________.
2.
De schelpen die je op het strand vindt zijn meestal (12) dood / levend.

Extra stof

3.
schroeven
Vul hieronder de rest van de tabel in, zodat iemand anders die niets van gereedschap weet toch de spijkers en schroeven hiernaast op naam zou kunnen brengen.
1. Het staafje is recht en glad . . . .
dit is de SPIJKER
óf: Het staafje eindigt (13) _________________________________. .
ga naar 2

2. De top is plat met een gleufje . . . . . . .
dit is de SCHROEF
óf: De top is (14) _____________
dit is het HAAKJE