pictures/kdn-oog-ico.png



Het oog

Rondom het oog

In de tekening hieronder is een oog van voren getekend.
Schrijf de volgende namen op de juiste plek bij de tekening:
Wenkbrauw
Onderste ooglid
Bovenste ooglid
Traanklier
Afvoergang naar de neus
Wimpers
onderdelen van een oog


(1) _____________

(2) _______________

(3) ______________________

(4) __________

(5) ________________________


(6) ______________________

onderdelen van een oog
onderdelen van een oog
De volgende delen beschermen het oog:
Tegen stof helpt de (7) wenkbrauw / wimper / ooglid / traanklier.
Tegen zweetdruppels (8) wenkbrauw / wimper / ooglid / traanklier.
Tegen felle zon (9) wenkbrauw / wimper / ooglid / traanklier.
Tegen uitdrogen (10) wenkbrauw / wimper / ooglid / traanklier.
Als ruitenwissers (11) wenkbrauw / wimper / ooglid / traanklier.
huilen
huilen

Huilen

De traanklier zit aan de kant van (12) het oor / de neus.
De traanklier maakt vocht.
Normaal merk je daar niets van.
Maar zonder dit vocht zou je oog (13) _____________.
En als er veel vocht komt noemen we dat (14) _________.
oog van binnen
oog van binnen

De oogbol

Hier zie je hoe een los oog eruit ziet.
onderdelen binnenin oog

Het oog is eigenlijk een witte bol.
Aan de zijkant zitten een aantal (15) __________.
Die dienen om het oog te (16) __________.
De kabel aan de achterkant van de oogbol is de (17) ____________.
De oogzenuw is een soort telefoon-draad.
Die zenuw geeft aan de hersenen door wat er te zien is.
Vooraan zit de gekleurde (18) ______.
De kleur van de iris is meestal (19) _____________________.
In het midden van de iris zit de zwarte (20) _______.
pupil reflex
pupil reflex

De pupil

De pupil is het gaatje waardoor we naar buiten kijken.
Als de pupil groot is laat hij (21) veel / weinig licht door.
Als de pupil klein is laat hij (22) veel / weinig licht door.
's Nachts is de pupil (23) groter / kleiner dan overdag.
Welke van deze 2 ogen kijkt in het donker? (24) A / B.
proef met pupilreflex
proef met pupilreflex

PROEF: HET VERKLEINEN VAN DE PUPIL


Ga tegenover elkaar zitten.
Bedek allebei je rechter-oog met je hand.
Haal allebei je hand weg en kijk naar dat oog.
Wat zie je gebeuren met de pupil?
De pupil wordt (25) groter / kleiner.
Waarom zie je even niets als 's nachts het licht aangaat?
(26) ________________________________________.

PROEF: SCHERP STELLEN

Nodig: 2 potloden
Bekijk van hoe dichtbij je potlood 1 nog scherp ziet.
Op (27) ________________centimeter afstand is potlood 1 nog scherp.
Houd potlood 2 met gestrekte arm achter het eerste.
Op de tekening hiernaast zie je hoe dat moet.
Lukt het om de potloden tegelijk scherp te zien? (28) ja / nee.
Je oog kan niet tegelijk dichtbij en veraf scherp zien.
Je oog moet (29) ___________________.
Dit scherpstellen doe je met de lens van je oog.
Als je niet scherp ziet heb je een bril of contactlenzen nodig.

Ga met je gezicht drie meter van deze tekst (papier of scherm) vandaan.
Probeer de tekst in dit blokje of 3 meter afstand te lezen.
Als je onderstaande reeks nog kan lezen zijn je ogen waarschijnlijk wel goed:

f k d i s d p z o a z c f u v x a p q
pijl door een bol

PROEF: DE OMGEKEERDE WERELD

Nodig: 1 afgesloten pot met water en een getekende pijl. Kijk door de pot heen naar de pijl zaoals op de tekening.
Wat valt je op aan de richting van de pijl?
(30) ________________________________________.
omgekeerde peer
omgekeerde peer

Hiernaast zie je hoe een oog de peer ziet.
Door je ogen zie je eigenlijk de omgekeerde wereld.
In onze hersenen zetten we dit beeld weer recht.
gezichtsbedrog
gezichtsbedrog

Gezichtsbedrog

Soms zien onze ogen iets goed, maar snappen we het niet.
We noemen dat gezichtsbedrog.
Van de 2 middenstokken van de pijlen lijkt die van pijl (31) A / B het langst.
Als je dit gaat meten blijkt de middenstok van B (32) langer / korter / even lang.
Wat klopt er niet aan de drie-poot?
(33) ________________________________________

Vragen

1.
Waarvoor dienen de oogspieren? (34) ___________________________________________.
2.
Als de pupil groot is, laat hij (35) veel / weinig licht door.

Extra stof

3.
4.
fototoestel
fototoestel
Je kan het oog vergelijken met het fototoestel hiernaast:
De lens van het oog is het (36) ______ bij het fototoestel.
De iris is het (37) _____________ bij het fototoestel.
Het netvlies is bij het fototoestel
de (38) _____________________________________.