pictures/kdn-elektriciteit-ico.png

 
elektronen door stroomdraad
elektronen door stroomdraad

Elektriciteit

Elektronen

Elektriciteit krijg je als elektronen door een koperdraad stromen.
Hiernaast zie je getekend hoe dat gaat.
In het echt kun je dat nooit zien.
Daarvoor zijn de deeltjes veel te klein.
Bij elektriciteit stroomt (1) de hele draad / alleen de elektronen.
batterijen
batterijen

De batterij

hiernaast zie je batterijen.
Elke batterij heeft een negatieve en een positieve kant.
Zo'n uiteinde noemen we een pool.
Een (2) negatieve / positieve pool schrijven we met een - .
Een (3) negatieve / positieve pool schrijven we met een + .
Aan de ene pool zitten teveel elektronen.
Die willen naar de andere pool toe.
Maar door de lucht kunnen de elektronen niet stromen.
Als je een koperdraad tussen de polen steekt stromen ze wel.
Als we een lamp in die stroom zetten, gaat hij branden.
de stroomkring

PROEF: DE STROOMKRING

Nodig: 1 batterij of zwakstroom-aansluiting
1 lampje
2 koperdraden met klemmetjes
Hier is er (4) wel / geen verbinding tussen - en + .
Er kunnen (5) wel / geen elektronen stromen.
Met de batterij en lamp samen kun je licht maken.
Teken 2 draadjes, zó dat er stroom door de lamp gaat.
Er kunnen nu (6) wel / geen elektronen stromen.
gesloten stroomkring
Als elektronen kunnen rond-stromen noemen we dit een stroomkring.
Maak de proef nu in het echt.
Als je het goed gedaan hebt gaat de lamp branden.
stroomkring met klemmen
Neem nu nog een extra draad en maak nu de proef hiernaast precies na.
Als klem 1 en 2 uit elkaar zijn, brandt het lampje (7) wel / niet.
Er loopt geen stroom, omdat er (8) wel / geen stroomkring is.
De stroomkring is onderbroken tussen (9) ________________________.
Met de klemmen tegen elkaar brandt de lamp (10) wel / niet.
Je hebt nu (11) wel / geen stroomkring.

PROEF: GELEIDERS EN ISOLATORS

Nodig: Hetzelfde als bij vorige proef, én
1 stukje aluminium-folio
1 stukje plastic
1 koperen stuiver (oude munt)
1 stukje papier
1 stukje houtskool
Klem het stuk aluminium-folie tussen klem 1 en 2.
De lamp brandt nu (12) wel / niet.
Aluminium laat (13) wel / geen stroom door.
Klem het stukje plastic tussen klem 1 en 2.
De lamp brandt nu (14) wel / niet.
Plastic laat (15) wel / geen stroom door.
Dingen die de stroom doorlaten noemen we geleiders.
Dingen die de stroom stoppen noemen we isolatoren.
Aluminium is een (16) geleider / isolator.
Plastic is een (17) geleider / isolator.
Onderzoek of de volgende stoffen geleiden of isoleren:
Houtskool, katoen, koper (stuiver), papier.

Vul de tabel in:
Materiaal Lamp aan/uit? Materiaal laat
wel/niet stroom door?
Aluminium (18) aan / uit (19) wel / niet
Plastic (20) aan / uit (21) wel / niet
Houtskool (22) aan / uit (23) wel / niet
Katoen (24) aan / uit (25) wel / niet
Koper (26) aan / uit (27) wel / niet
Papier (28) aan / uit (29) wel / niet

Een elektriciteits-draad is van koper gemaakt omdat koper een goede (30) geleider / isolator is.
En er zit plastic om die draad heen omdat plastic een goede (31) geleider / isolator is.
dimmer
een dimmer

PROEF: EEN DIMMER MAKEN

Nodig: hetzelfde als bij vorige proef, én
1 opengesneden potlood
Maak de proef precies zoals in de tekening hiernaast.
Als het goed is gaat het lampje branden.
Schuif klem 1 dichter naar klem 2 toe.
Het lampje gaat dan (32) harder / zachter branden.
Schuif de klemmen verder uit elkaar.
Het lampje gaat nu (33) harder / zachter branden.
Hoe langer het stuk potlood, des te (34) harder / zachter de stroom.
Met de lengte van het stuk potlood kan je de stroom regelen.
Je hebt een dimmer gemaakt!
stroomverbruik van apparaten

Veel of weinig stroom

Niet elk apparaat gebruikt evenveel stroom.
Hiernaast worden apparaten met elkaar vergeleken.

Een radio verbruikt ongeveer (35) _ keer zoveel stroom als een lamp.
Een TV verbruikt (36) _ keer zoveel stroom als de lamp.
Een straalkachel kost ongeveer (37) ___ keer zoveel stroom als de lamp.
Je verbruikt meer stroom met een (38) strijkijzer / stofzuiger.
De radio vergeten uit te doen kost (39) meer / minder dan de TV.

Vragen

1.
Hoe heten de uiteinden van een batterij? (40) _______.
2.
Een voorbeeld van een geleider is (41) _______________________________________.
3.
Een voorbeeld van een isolator is (42) __________________________________.
4.
Wat kan je met een half potlood maken? (43) _______________.

Extra stof

5.
batterij
batterij
Niet alle batterijen zijn even sterk.
De batterij hier levert een spanning van (44) ____. Volt.
Die spanning zegt hoe graag de elektronen door de draad stromen.
Op stopcontacten staat een spanning van 220 Volt.
Dat is 50 x zoveel als bij een batterij.
Toch kan je ook met batterijen een hoge spanning maken.
Je moet ze dan achter elkaar zetten.
De twee batterijen hiernaast geven samen een spanning van 9 Volt!

6.
voltmeter
voltmeter
Op die manier werkt ook de accu van een auto:
In die accu staan bijvoorbeeld 6 batterijen achter elkaar.
Elke aparte batterij levert een spanning van 2 Volt.
Reken uit hoeveel spanning de totale accu levert? (45) _ x (46) _ = (47) ___ Volt.