pictures/kdn-bijen-en-wespen-ico.png

 
overeenkomsten
overeenkomsten

Bijen en wespen

Overeenkomsten

Bijen en wespen lijken veel op elkaar.
De bij hiernaast heeft (1) wel / geen vleugels.
Tel het aantal poten. De bij heeft er (2) 2 / 3 / 4 / 6.
Insecten hebben vleugels en 6 poten

De bij is dus (3) wel een / geen insect.
De wesp heeft (4) wel / geen vleugels.
Tel het aantal poten. De wesp heeft er (5) 2 / 3 / 4 / 6.
De wesp is (6) wel een / geen insect.
Bijen en wespen zijn allebei (7) ____________.
bijenvolk met koningin
Bijenvolk met koningin
Er is nog een overeenkomst:
Bijen en wespen leven allebei in groepen.
Zo'n groep noemen we een volk.
Zo'n volk heeft altijd een koningin.
De koningin is iets groter dan de rest.
Hiernaast zie je een bijen-koningin tussen haar volk.
De koningin is bij pijl (8) A / B / C.

Verschil in kleur

Er zijn ook verschillen tussen de bij en de wesp.
Zo is de kleur van de wesp geel met zwart.
De kleur van de bij is bruin.
bij zoekt voedsel

Verschil in voedsel

Bijen eten ander voedsel dan wespen.
Hier staat een bij die voedsel zoekt.
Een bij haalt voedsel uit (9) __________.
Uit de bloem haalt de bij honing en stuifmeel.

De wesp hiernaast vangt een (10) ______.
Wespen eten dus vlees.
In na-zomer en najaar komen wespen ook op fruit en zoetigheid af.

Overwinteren verschillend

In de winter zijn er geen bloemen en ook geen rupsen.
De winter is voor bijen en wespen dus een moeilijke tijd.
Maar honing blijft heel lang goed.
Bijen kunnen honing dus (11) wel / niet bewaren voor de winter.
Met die honing komt het hele volk de winter door.
In de lente kan het hele bijenvolk meteen weer beginnen.
Dode rupsen en ander vlees bederft al na een paar dagen.
Wespen kunnen vlees (12) wel / niet bewaren voor de winter.
Wespen sterven in de winter allemaal, op één na.
Alleen de koningin blijft leven.
De koningin maakt het volgend jaar weer een nieuw volk.

Een hele groep insecten in het voorjaar op bloemen? Dat zijn (13) wespen / bijen.
imker haalt raat uit kast
Imker haalt een raat uit de kast

De bijen-kast

De bij brengt het voedsel naar de bijenkast.
Hier zie je zo'n bijenkast met ernaast de verzorger.
Zo'n bijen-verzorger noemen we een imker.
De imker trekt zo'n dik pak aan om (14) __________________________________.
Deze imker bekijkt een honing-raat.
In de herfst haalt de imker de honing weg.
De bijen krijgen er suiker voor in de plaats.
van ei tot bij

Van ei tot bij

Hiernaast zie je hoe een bijenkast er van binnen uitziet.
De koningin is bezig een ei te leggen.
De koningin legt een ei bij letter (15) A / B / C / D / E.
Na 3 dagen komt uit het ei een larve: Letter (16) A / B / C / D / E.
De andere bijen voeren de larve: Letter (17) A / B / C / D / E.
Na 6 dagen wordt de larve een pop: Letter (18) A / B / C / D / E.
Na 12 dagen kruipt daar een nieuwe bij uit: Letter (19) A / B / C / D / E.
Reken nu uit na hoeveel dagen het ei een volwassen bij is.
Van ei tot bij duurt (20) _ + (21) _ + (22) ___ = (23) ___ dagen.
verschillende angels

Verschillende angels

Bijen en wespen kunnen allebei steken.
Daarvoor hebben ze allebei aan de achterkant een angel.
Bekijk de tekening.
De wesp heeft een (24) gladde / stekelige angel.
Hij kan zijn angel na het steken weer terugtrekken.
De wesp kan daardoor (25) één keer / vele keren steken.
De bij heeft een (26) gladde / stekelige angel.
Als ze wegvliegt trekt de bij haar achterlijf kapot.
Hiernaast zie je hoe die angel in een vinger achterblijft.
De bij hiernaast zal daarom dood gaan.

Vragen

1.
Noem 2 overeenkomsten tussen de bij en de wesp. (27) ________________________________________
2.
Vul in de tabel de verschillen in:
BIJEN WESPEN
Kleur (28) bruin / geel met zwart (29) bruin / geel met zwart
Voedsel (30) honing en stuifmeel / vlees (31) honing en stuifmeel / vlees
Overwintert? (32) hele volk / alléén de koningin (33) hele volk / alléén de koningin
Hoeveel keer steken? (34) één keer / vele keren (35) één keer / vele keren
3.
Wat is de voedselvoorraad voor bijen? (36) ____________________________.
4.
In de lente zie je vooral (37) bijen / wespen.

Extra stof

5.
In het najaar vliegt er een dikke wesp op zolder.
Hoe noemen we die wesp? (38) Werkster / dar / koningin.
Wat zoekt die wesp? (39) ________________________________________.
6.
Wat gebeurt er met de bijen als de imker wèl honing weghaalt, maar géén suiker geeft? (40) ___________________________